Eigenschappen van symbolen

Elk symbool heeft een set eigenschappen die het gedrag in de tekening bepalen.

Om ze te bewerken, opent u het symbool in de symbooleditor, drukt u op F12 en kiest u het tabblad Symbool.

Eigenschappen

Eigenschappen

  • Nummer — identificeert het symbool volgens een norm in het formaat norm:nummer
    (bijv. EN 60617: 04-01-01)

  • Standaardreferentie — aanduiding van het symbooltype
    (bijv. R voor weerstand, C voor condensator, T voor transistor)

  • Standaardtype — elektrische eigenschappen (weerstand in Ω, capaciteit in pF, type transistor)
    Deze waarde wordt gebruikt als beginwaarde en kan later worden gewijzigd.

  • Commentaar — optionele beschrijving

  • Functie — bepaalt het gedrag van het symbool
    ⚠️ Voorzichtig aanpassen — verkeerde instellingen kunnen problemen veroorzaken


Automatische nummering

Als een symbool een standaardreferentie heeft, wordt het automatisch genummerd bij het invoegen.

Voorbeelden:

  • RR1, R2, R3, …
  • CC1, C2, C3, …

De referentie bepaalt het voorvoegsel, het nummer wordt automatisch toegevoegd.

Zonder referentie:

  • 1, 2, 3, …

Standaardwaarden (referentie en type)

Gebruik:

Bestand → Bibliotheekconfiguratie

In het dialoogvenster:

  1. Open het tabblad Symbolen
  2. Selecteer een groep
  3. Stel referentie en type in

⚠️ Daarna uitvoeren:
Beeld → Symbolen opnieuw laden


Zichtbaarheid

Referentie en type worden automatisch weergegeven als ze zijn ingesteld.

💡 Tip:
Eenmalige configuratie bespaart veel tijd in grotere projecten.

chat support