Draaien van grafische vormen
Soms moet u een object onder een bepaalde hoek plaatsen. Gebruik daarvoor de menuopdracht Object - draai en verplaats. In het dialoogvenster stelt u de draaihoek en het draaipunt in.
Er zijn twee typen rotatie:
Type 1 (lijnen, polylijnen en Bézier-curven) — elk punt van het object draait mee over de opgegeven hoek.
Type 2 (alle andere objecten) — alleen het middelpunt van het object draait over de opgegeven hoek.
Hieronder ziet u hoe rotatie werkt aan de hand van een praktijkvoorbeeld: het tekenen van een driefasige motor.
Stap 1
Teken de eerste tak van de motor. Deze bestaat uit 2 lijnen, 3 Bézier-curven en een aansluitpunt.
Stap 2
Selecteer alle objecten en kopieer ze naar het klembord met Ctrl + C. Ga dan naar Object - draai en verplaats en vul 120° in. Klik op OK.
Stap 3
Plak de originele tak terug met Ctrl + V. Selecteer deze en draai met -120°.
Stap 4
Plak de originele tak nogmaals. Uw symbool is klaar!